ECLI:NL:CRVB:2021:175
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AOW-pensioen wegens onvoldoende bewijs van verzekering in Nederland 1970-1975
Appellant, geboren in 1933 en met de Marokkaanse nationaliteit, heeft een AOW-pensioen aangevraagd op grond van verblijf en werk in Nederland tussen 1970 en 1975. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft de aanvraag afgewezen omdat uit onderzoek niet bleek dat appellant in die periode in Nederland woonde of werkte.
De rechtbank Amsterdam heeft deze afwijzing bevestigd en geoordeeld dat appellant geen bewijsstukken had overgelegd die zijn verblijf of werkzaamheden in Nederland aannemelijk maakten. In hoger beroep heeft appellant een inschrijvingsbewijs van het ziekenfonds overgelegd, maar dit bewijsstuk gaf geen duidelijkheid over de duur van de verzekering.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat op grond van artikel 7, eerste lid, van de AOW minimaal één kalenderjaar verzekering vereist is voor toekenning van het pensioen. Omdat niet is vastgesteld dat appellant aan deze voorwaarde voldoet, is de afwijzing terecht. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De aanvraag voor een AOW-pensioen wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van minimaal één jaar verzekering in Nederland.