Uitspraak
20.2898 AW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 april 2021 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 2000 in vaste dienst bij de stichting en kreeg op basis van een vaststellingsovereenkomst per 1 oktober 2018 eervol ontslag. Hij verzocht de stichting om vergoeding van de advocaatkosten die hij maakte voor de afwikkeling van het dienstverband. De stichting weigerde deze vergoeding, waarop appellant beroep instelde tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de stichting al tijdig een besluit had genomen. In hoger beroep wilde appellant alsnog dat de stichting de advocaatkosten vergoedde. De Raad oordeelde dat de e-mails van de stichting als besluiten moeten worden gezien en dat de stichting niet verplicht is de kosten te vergoeden.
De vaststellingsovereenkomst bevatte een regeling voor vergoeding van advocaatkosten tot een maximumbedrag, welke de stichting had nagekomen. Daarnaast was er finale kwijting overeengekomen, waardoor geen verdere aanspraken meer mogelijk waren. Ook ontbrak een wettelijke verplichting tot vergoeding van deze kosten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de stichting niet verplicht is de advocaatkosten van appellant te vergoeden en verklaart het beroep ongegrond.