ECLI:NL:CRVB:2021:1804

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juli 2021
Publicatiedatum
26 juli 2021
Zaaknummer
20/2234 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening besluit AOW wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant heeft in 2007 een AOW-pensioen aangevraagd met de stelling dat hij in de periode 1965-1971 in Nederland heeft gewerkt onder een andere naam. Dit verzoek werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van verblijf en werk in Nederland. Na eerdere afwijzing en een uitspraak van de Raad in 2018, verzocht appellant in 2018 om herziening van het besluit, onderbouwd met een notariële akte en een attestation de concordance.

De Sociale Verzekeringsbank handhaafde het eerdere besluit omdat de aangeleverde stukken geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten die herziening rechtvaardigen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de nieuwe documenten aantonen dat hij en de persoon met de andere naam dezelfde zijn.

De Raad oordeelt dat de aangeleverde documenten geen controleerbare, nieuwe feiten bevatten, maar slechts getuigenverklaringen die niet objectief verifieerbaar zijn. Daarnaast verschillen belangrijke persoonsgegevens zoals geboorteplaats en geboortedatum. Daarom is geen reden om het besluit van 2007 te herzien. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het AOW-besluit wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

20.2234 AOW

Datum uitspraak: 22 juli 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
18 mei 2020, 19/3656 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. el Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2021. Namens appellant is mr. A. el Idrissi verschenen, kantoorgenoot van eerder genoemde gemachtigde. De Svb heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren [geboortedatum] , heeft in 2007 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Hij heeft daarbij gesteld dat hij in de periode van 7 oktober 1965 tot en met 1971 onder de naam [naam] , geboren in 1938, in Nederland heeft gewerkt. Deze aanvraag is bij besluit van 23 augustus 2007 afgewezen, omdat niet is gebleken dat appellant in Nederland heeft gewoond en gewerkt. Bij de Svb bestond twijfel of appellant dezelfde persoon was als [naam] . Bij uitspraak van 18 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3410) heeft de Raad geoordeeld dat de Svb terecht een ouderdomspensioen heeft geweigerd aan appellant.
1.2.
In november 2018 heeft appellant gevraagd om terug te komen van het besluit van 23 augustus 2007. Daarvoor is ingezonden een notariële akte van getuigenis over de correctie van naam en geboortedatum van appellant van 10 oktober 2018 en een attestation de concordance van 11 oktober 2018.
1.3.
Bij besluit van 2 april 2019, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 29 mei 2019, is dit verzoek afgewezen. De door appellant ingezonden stukken zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven om van het besluit van 23 augustus 2007 terug te komen en dat besluit was niet onmiskenbaar onjuist.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de onder 1.2 genoemde notariële akte van getuigenis van 10 oktober 2018 en de attestation de concordance van 11 oktober 2018 nieuwe feiten of omstandigheden zijn die moeten leiden tot herziening van het besluit van 23 augustus 2007. Uit deze stukken volgt volgens appellant dat sprake is van een naamswijziging en dat [naam] en appellant dezelfde persoon zijn.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de notariële akte van 10 oktober 2018 en de attestation de concordance van 11 oktober 2018 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 23 augustus 2007. Er is verder geen aanleiding om te oordelen dat de afwijzing van de herhaalde aanvraag evident onredelijk is dan wel onmiskenbaar onjuist in de zin van het beleid van de Svb (SB1076). Daarbij is meegewogen dat de door appellant ingezonden notariële akte alleen is gebaseerd op verklaringen van getuigen. Verklaringen zijn geen controleerbare gegevens of authentieke stukken. Het is daarom voor de Svb niet objectief verifieerbaar of appellant en [naam] dezelfde persoon zijn. De Raad heeft verder nog meegewogen dat niet alleen de naam en het geboortejaar van appellant en [naam] verschillen, maar ook andere aspecten zoals de geboorteplaats niet met elkaar overeenkomen.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van D. Al Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2021.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) D. Al-Zubaidi