ECLI:NL:CRVB:2018:3410
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW-pensioen wegens onvoldoende bewijs identiteit en verzekeringstijd
Appellant, geboren in 1942, vroeg een AOW-pensioen aan en stelde dat hij tussen 1965 en 1971 in Nederland onder een andere naam had gewerkt. Hij overhandigde diverse documenten ter onderbouwing, waaronder werkgeversverklaringen en werkvergunningen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde de aanvraag omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant dezelfde persoon was als de werknemer die in de documenten genoemd werd.
In bezwaar en in de rechtbank werden de Attestations de Concordance, bedoeld om de identiteit te bevestigen, niet als voldoende bewijs erkend omdat deze geen objectief verifieerbare gegevens bevatten en het geboortejaar afweek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad benadrukte dat alleen een door de rechter bekrachtigde notariële akte op basis van objectief verifieerbare gegevens aanleiding kan geven tot het heroverwegen van de authenticiteit van de stukken. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij en de genoemde werknemer dezelfde persoon zijn, waardoor het recht op AOW-pensioen niet werd toegekend.
De Raad wees verder op vaste rechtspraak en het belang van objectieve controleerbaarheid van gegevens voor de Svb. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is openbaar en kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van AOW-pensioen wegens onvoldoende bewijs van identiteit en verzekeringstijd.