ECLI:NL:CRVB:2021:1821
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voldoende re-integratie-inspanningen ex-werkgeefster bij WIA-uitkering
Appellant was sinds 8 mei 2015 werkzaam als procesoperator via een ex-werkgeefster en meldde zich op 21 oktober 2015 ziek. Het dienstverband eindigde op 30 november 2015, waarna het UWV een Ziektewetuitkering toekende. De ex-werkgeefster, als eigenrisicodrager, is verantwoordelijk voor de re-integratie. Na een deskundigenoordeel van 20 maart 2017 concludeerde een arbeidsdeskundige dat de re-integratie-inspanningen tot 10 februari 2017 voldoende waren.
Het UWV kende appellant op 17 oktober 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Appellant maakte bezwaar tegen het besluit dat de re-integratie-inspanningen voldoende waren, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat de bedrijfsarts frequent contact had en dat er geen benutbare mogelijkheden voor re-integratie waren.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij nooit werkzaamheden had aangeboden gekregen en dat de relatieverstoring geen reden mocht zijn voor onvoldoende re-integratie. De Raad oordeelde dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen voldoende waren, onderschreef de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ex-werkgeefster voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en wijst het hoger beroep af.