ECLI:NL:CRVB:2021:1823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging loongerelateerde WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was werkzaam als trainer en meldde zich in 2012 ziek met lichamelijke en later psychische klachten. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe op basis van 100% arbeidsongeschiktheid, die later werd omgezet naar een loonaanvullingsuitkering.
Op verzoek van de (ex-)werkgever vond een herbeoordeling plaats, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vaststelden dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het UWV beëindigde daarop de loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 24 oktober 2017. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen reden was het oordeel van de verzekeringsarts in twijfel te trekken. Ook was de functie Medewerker tuinbouw passend, ondanks allergieën van appellante.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch oordeel onvoldoende rekening hield met een brief van haar huisarts en dat de functie verspener ongeschikt was. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV: de brief was betrokken bij de beoordeling en de arbeidsdeskundige had een geschikte alternatieve deelfunctie geselecteerd.
De Raad bevestigde het besluit tot beëindiging van de WGA-uitkering en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de loongerelateerde WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.