ECLI:NL:CRVB:2021:1827
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens onvoldoende bewijs arbeidsongeschiktheid per 1 november 2016
Appellant, voormalig huisschilder, vroeg met terugwerkende kracht per 1 november 2016 een Ziektewetuitkering aan wegens psychische klachten. Het UWV weigerde deze uitkering na een medisch onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die appellant geschikt achtte voor zijn laatst verrichte arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat appellant de bewijslast niet had voldaan.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk arbeidsongeschikt was en dat de bewijslast niet uitsluitend bij hem lag. Hij voerde aan dat de medische stukken rondom de datum in geding ontbreken omdat hij de behandeling had afgebroken. De Raad oordeelde echter dat het onderzoek door het UWV zorgvuldig was, dat de verzekeringsarts op eigen oordeel mocht varen en dat de aangeleverde medische stukken relevant waren. Bovendien moest de onduidelijkheid over de medische situatie door het late tijdstip van aanvraag voor rekening van appellant blijven.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij op de datum in geding arbeidsongeschikt was en dat er geen aanleiding was een onafhankelijke deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering wegens onvoldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid per 1 november 2016.