ECLI:NL:CRVB:2021:1833
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van rechtbankuitspraak inzake WIA-herbeoordeling en arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 2010 arbeidsongeschikt is na een hersenschudding, kreeg een WIA-uitkering toegekend op basis van beperkingen door postcommotioneel syndroom. Na een herbeoordeling door het UWV en een onafhankelijke deskundige werd vastgesteld dat de diagnose niet langer houdbaar was en dat de beperkingen minder zwaar waren. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV dat het bezwaar ongegrond verklaarde en stelde dat de arbeidsongeschiktheid op 77,21% moest worden vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld en dat hij de geselecteerde functies niet kon verrichten, onderbouwd met medische rapporten. De Raad volgde echter het oordeel van de onafhankelijke deskundige, die een zorgvuldig, inzichtelijk en consistent onderzoek had verricht. Subjectieve klachten van appellant konden niet als uitgangspunt worden genomen bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling.
De Raad concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid juist was vastgesteld en dat het hoger beroep niet slaagde. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en het UWV-besluit, voor zover aangevochten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak en wijst het hoger beroep en het verzoek tot schadevergoeding af.