ECLI:NL:CRVB:2021:1866
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande, maar het college stelde vast dat hij vanaf 24 november 2017 een gezamenlijke huishouding voerde met zijn ex-echtgenote, waardoor de bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd. Het college verlaagde de terugvordering na bezwaar deels vanwege recht op bijstand naar de norm voor gehuwden.
Appellant voerde aan dat hij in april 2018 geen inkomsten had en dat betalingen niet in overeenstemming waren met de beslagvrije voet, maar deze gronden werden verworpen omdat het gezamenlijke inkomen recht gaf op bijstand en nabetalingen correct waren gedaan. Tevens werd de verrekening van openstaande vorderingen met proceskosten door het college bevestigd.
De Raad oordeelde dat appellant geen hoger beroep had ingesteld tegen de uitspraak over de dwangsom en griffierecht, waardoor geen schorsende werking bestond. Ook de verwijzing naar eerdere uitspraken over beslagvrije voet was niet van toepassing. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en wijst het hoger beroep van appellant af.