ECLI:NL:CRVB:2021:187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig huishoudelijk medewerkster, heeft sinds 2011 fysieke en psychische klachten en heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft meerdere malen geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is vastgesteld. Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank dit oordeel bevestigd en ook de Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit.
De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante juist zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 12 maart 2018. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat de medische informatie geen aanwijzingen bevat dat appellante niet in staat is tot zelfverzorging of algemene dagelijkse levensverrichtingen. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie ingebracht.
Verder is geoordeeld dat de functies die ten grondslag liggen aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage medisch geschikt zijn voor appellante. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.