ECLI:NL:CRVB:2021:1885
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als medewerker personeels- en salarisadministratie, meldde zich ziek met vermoeidheids- en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische en lichamelijke beperkingen, waaronder ernstige OSAS en vermoeidheidsklachten, onvoldoende waren meegewogen. Zij stelde dat er preventief een urenbeperking en beperkingen voor onregelmatige diensten moesten worden aangenomen. Het UWV handhaafde het eerdere besluit.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat alle klachten en medische informatie in het onderzoek waren betrokken, inclusief aanvullende beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Appellante leverde geen objectief bewijs dat haar beperkingen waren onderschat. De Raad vond geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige en bevestigde dat de geselecteerde functies medisch passend waren.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het bestreden besluit van het UWV. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht een WIA-uitkering heeft geweigerd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.