ECLI:NL:CRVB:2021:1889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzame band met Nederland op 17-jarige leeftijd
Appellante, geboren in Turkije en in 1986 naar Nederland gekomen, vroeg in 2017 een Wajong-uitkering aan. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij op haar achttiende verjaardag niet in Nederland woonde en niet verzekerd was voor de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij op haar zeventiende verjaardag geen duurzame persoonlijke band met Nederland had en niet als ingezetene kon worden aangemerkt. Ook kon niet worden vastgesteld dat haar vader kinderbijslag ontving, hetgeen noodzakelijk is voor verzekering op grond van KB 557.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en voerde zij een nieuw beroep aan op artikel 33 van Pro het NTV. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de feiten onvoldoende zijn om appellante als ingezetene te beschouwen en dat het bewijsrisico voor het ontbreken van kinderbijslag bij appellante ligt.
Het hoger beroep wordt afgewezen, waarmee de afwijzing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd omdat appellante op haar zeventiende verjaardag geen duurzame band met Nederland had en niet verzekerd was voor de AAW.