ECLI:NL:CRVB:2021:1897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens te late griffierechtbetaling ongegrond verklaard
Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, maar het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig was betaald. Namens appellant werd verzet aangetekend tegen deze beslissing, waarbij werd aangevoerd dat sprake was van een miscommunicatie tussen appellant en zijn gemachtigde. Appellant leed aan hersenletsel en had daardoor geheugenproblemen, wat volgens zijn gemachtigde de late betaling verklaarde.
De Centrale Raad van Beroep heeft het verzet onderzocht en geoordeeld dat ondanks de persoonlijke omstandigheden van appellant, deze geen reden vormen om de te late betaling van het griffierecht als verschoonbaar te beschouwen. De gemachtigde was herhaaldelijk schriftelijk gewezen op de noodzaak van tijdige betaling, en het dossier bevatte onvoldoende bewijs dat appellant niet in staat was tijdig te betalen. Bovendien werd benadrukt dat appellant met geheugenproblemen begeleiding moest zoeken bij zijn administratie.
De Raad concludeerde dat de belangen van appellant geen rol mogen spelen bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van de te late betaling. Er waren geen andere feiten of omstandigheden die het niet tijdig voldoen van het griffierecht rechtvaardigden. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard, maar het te laat betaalde griffierecht werd aan appellant terugbetaald. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens te late betaling van het griffierecht is ongegrond verklaard en het griffierecht wordt terugbetaald.