ECLI:NL:CRVB:2021:1910
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-uitkeringsprocedure
De zaak betreft een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een procedure over de toekenning van een WIA-uitkering. Verzoeker had hoger beroep ingesteld tegen de weigering van het UWV om hem een WIA-uitkering toe te kennen met ingang van november 2015 of augustus 2016. Tijdens de procedure kende het UWV alsnog met terugwerkende kracht de uitkering toe, waarna verzoeker zijn hoger beroep introk en een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding vorderde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in dit soort zaken maximaal vier jaar bedraagt. In deze zaak was de procedure vanaf ontvangst van het bezwaarschrift op 5 oktober 2016 tot de uitspraak op 3 augustus 2021 bijna vijf jaar in beslag genomen, wat neerkomt op een overschrijding van bijna tien maanden. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigden.
De Raad stelde vast dat het UWV binnen een half jaar op het bezwaar had beslist, maar dat de overschrijding in de bestuursrechterlijke fase lag, waarvoor de Staat aansprakelijk is. Daarom werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.000, berekend als twee keer €500 per half jaar overschrijding. Tevens werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, begroot op €374.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €1.000 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en €374 aan proceskosten.