ECLI:NL:CRVB:2021:1913
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als orderverzamelaar, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar lichamelijke klachten aan knieën, handen en polsen en haar psychische klachten waren onderschat en dat de voorbeeldfuncties niet passend waren vanwege taalvaardigheidseisen. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de psychische klachten wel waren meegewogen. De arbeidsdeskundige had gemotiveerd dat de voorbeeldfuncties medisch geschikt waren en dat appellante aan de taal- en opleidingsvereisten kon voldoen.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellante niet meer dan 35% arbeidsongeschikt is en dat de weigering van de WIA-uitkering terecht is. Er werd geen aanleiding gezien voor aanvullende medische beoordeling of andere voorbeeldfuncties. De uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant werd bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.