ECLI:NL:CRVB:2021:1917
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en intrekking Ziektewetuitkering wegens onvoldoende medische grondslag en verzekeringsstatus
Appellante was werkzaam als callcentremedewerkster en meldde zich ziek na een verkeersongeval. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 5 april 2016 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen in andere functies. Na meerdere medische onderzoeken en bezwaarprocedures oordeelde het UWV en de rechtbank dat appellante niet zodanig beperkt was dat zij haar arbeid niet kon verrichten.
Appellante bracht in hoger beroep medische stukken in, waaronder een MRI waaruit bilaterale sacro-iliitis bleek, maar deze diagnose was pas na de datum in geding gesteld en werd door verzekeringsartsen niet als voldoende objectief bewijs gezien. Ook de verklaring van een bekkenfysiotherapeut werd niet als doorslaggevend beoordeeld.
Daarnaast werd vastgesteld dat appellante vanaf 1 mei 2017 niet verzekerd was voor de Ziektewet, waardoor zij geen recht had op een ZW- of WAZO-uitkering. De Raad volgde het UWV en de rechtbank in hun zorgvuldige en volledige beoordeling en concludeerde dat appellante ten minste één van de geselecteerde functies kon vervullen.
De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht beëindigd en ingetrokken wegens onvoldoende medische beperkingen en het ontbreken van verzekeringsrecht.