ECLI:NL:CRVB:2021:1921
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering toeslag wegens gewijzigde leefsituatie en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving sinds 1999 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). In 2018 stelde het Uwv vast dat appellant sinds 10 december 2013 niet meer samenwoont met zijn partner, waardoor hij niet langer recht heeft op de toeslag. Het Uwv besloot de toeslag vanaf april 2018 stop te zetten en vorderde een bedrag van €20.400,80 terug over de periode december 2013 tot april 2018.
Appellant voerde aan dat hij de wijziging van zijn leefsituatie telefonisch aan het Uwv had doorgegeven en dat hij vanwege digitale ongeschiktheid niet via internet kon melden. Ook stelde hij dat er dringende financiële redenen waren om van terugvordering af te zien. De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij het Uwv tijdig had geïnformeerd en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad stelde vast dat appellant niet had voldaan aan zijn inlichtingenplicht op grond van artikel 12 van Pro de TW. Er was geen bewijs van telefonisch contact en ook geen schriftelijke melding aan het Uwv. Het melden bij de gemeente en andere instanties ontslaat appellant niet van zijn verplichting tot melding aan het Uwv. De Raad vond ook geen dringende redenen om af te zien van terugvordering en wees het beroep af.
De uitspraak bevestigt dat het Uwv verplicht is onverschuldigd betaalde toeslagen terug te vorderen en dat de zorgplicht tot tijdige en juiste informatieverstrekking strikt wordt gehandhaafd. Appellant moet het bedrag van €20.400,80 terugbetalen en de herziening van de toeslag blijft gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de TW-uitkering wegens schending van de inlichtingenplicht.