ECLI:NL:CRVB:2021:193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 2010
Appellante, die sinds 2001 een WAO-uitkering ontving wegens arbeidsongeschiktheid, kreeg deze per 21 januari 2007 beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Na een melding in 2017 en een medisch onderzoek in 2018 stelde een verzekeringsarts vast dat haar beperkingen sinds 2009 waren toegenomen, maar dat zij vanaf 11 januari 2010 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het UWV weigerde daarop een WAO-uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen, waaronder ernstige diabetes mellitus en rugklachten, onvoldoende waren meegewogen en dat zij ernstig energieverlies ervoer, wat een urenbeperking rechtvaardigde. Zij overhandigde medische stukken van 2019 en 2020 ter onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat de medische stukken van na de datum in geschil geen aanknopingspunten bevatten om te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen per 11 januari 2010. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV tot weigering van een WAO-uitkering per 11 januari 2010 wordt bevestigd.