ECLI:NL:CRVB:2021:1965
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante, voormalig administratief medewerkster, ontving vanaf 2013 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2017 stelde het UWV dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder de 35%, waarna de uitkering werd beëindigd. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvolledige medische onderbouwing, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De deskundige verzekeringsarts stelde in een aanvullend onderzoek dat de beperkingen van appellante, met name voor buik- en handklachten, adequaat waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van september 2018.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de deskundige onvoldoende informatie had ingewonnen bij haar behandelaars, waaronder de huisarts, die volgens haar een totaalbeeld van haar klachten kon geven. De Raad oordeelde echter dat de deskundige zorgvuldig had gehandeld, dat reeds relevante medische informatie aanwezig was en dat aanvullend overleg geen meerwaarde bood. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de WIA-uitkering terecht was beëindigd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% lag.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep van appellante af. Er werd geen aanleiding gezien voor het inschakelen van een andere deskundige en ook werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.