De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen besluiten van het UWV over de herziening en terugvordering van zijn WW-uitkering over de periode van 31 december 2012 tot en met 14 december 2014, alsmede de opgelegde boete. De rechtbank Noord-Holland had het beroep deels gegrond verklaard en deels ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak vanwege procedurele fouten en inhoudelijke overwegingen.
De Raad stelt vast dat appellant vanaf 11 november 2013 werkzaamheden heeft verricht voor een bedrijf, welke hij niet heeft gemeld aan het UWV. Deze werkzaamheden waren van geld waardeerbare aard en hadden gemeld moeten worden, ongeacht de geringe of niet-geldelijke vergoeding. Hierdoor is de herziening en terugvordering van de WW-uitkering door het UWV correct vastgesteld op € 8.365,42 bruto.
Verder oordeelt de Raad dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en dat de door het UWV vastgestelde boete van € 2.091,35 proportioneel is gezien de ernst van de overtreding en de omstandigheden. De Raad wijst de verzoeken tot verdere matiging van de boete af.
Ten slotte veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep, wegens onvoldoende zorgvuldigheid in het onderzoek door het UWV. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2021.