ECLI:NL:CRVB:2021:1973
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid volgens Wet WIA
Appellant, werkzaam als procesoperator, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en ontving een WIA-uitkering vanwege gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 38,22%, later aangepast naar 43% na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onjuist waren vastgesteld. Hij overhandigde brieven van behandelend psychologen en een orthopeed ter onderbouwing. Het UWV handhaafde haar standpunt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met inachtneming van schouder- en depressieve klachten. De FML bevatte voldoende beperkingen en er was geen nieuwe medische informatie die aanleiding gaf tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd, zijn medisch geschikt bevonden voor appellant.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van 43% arbeidsongeschiktheid door het UWV wordt bevestigd.