ECLI:NL:CRVB:2021:1980
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, meldde zich in 2006 ziek met rug-, buikklachten en psychische problemen. Het UWV kende hem vanaf 2008 een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2019 stelde een verzekeringsarts vast dat appellant belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige berekende een arbeidsongeschiktheid van 45,5%. Het UWV verlaagde daarop de uitkering en beëindigde deze later omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen deze besluiten, maar het UWV handhaafde het besluit op basis van aanvullende medische rapporten waarin de beperkingen werden aangepast en de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 24,25%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren onderschat. De medische informatie die appellant later aanleverde gaf geen aanleiding tot twijfel over het medisch oordeel.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat niet alle medische gegevens waren meegewogen. De Raad oordeelde dat dit een herhaling was van eerdere gronden die al waren behandeld. De nieuwe medische informatie betrof klachten die pas na de datum in geschil waren ontstaan en gaf geen aanleiding tot aanpassing van de FML. De Raad bevestigde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.