ECLI:NL:CRVB:2021:2020
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek met pijnklachten. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. Appellante maakte bezwaar, waarop een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige het onderzoek herbeoordeelden en de beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst aanpasten, inclusief een urenbeperking.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat de beperkingen en geschiktheid van functies juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten ernstiger waren en dat de voorbeeldfuncties niet passend waren, maar de Raad volgde deze stellingen niet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de beperkingen passend waren vastgesteld en dat de functies medisch geschikt waren. Ook werd erkend dat er een urenbeperking was gesteld om extra recuperatie te waarborgen. Er was geen aanleiding voor een andere conclusie, en de Raad wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.