2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe – samengevat – het volgende overwogen.
De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat niet in geschil is dat appellante maandelijks een bedrag aan rente ter grootte van € 53,50 ontvangt van haar ouders en dat deze rente is gekoppeld aan het aan appellante toebehorend vermogen in de vorm van een niet-opeisbare vordering op haar ouders, zodat sprake is van inkomsten uit vermogen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW.
Appellante heeft aangevoerd dat de besluitvorming waarbij de rentebetaling op de bijstand in
mindering wordt gebracht, niet in stand kan blijven. Zij heeft in dit verband een beroep
gedaan op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Deze beroepsgronden
slagen niet. De rechtbank ziet geen aanleiding appellante te volgen in haar standpunt dat het
college destijds bewust de keuze heeft gemaakt om geen rekening te houden met de rente-inkomsten, omdat daarvoor de onderbouwing ontbreekt
.Appellante kan aan een in het
verleden gemaakte fout niet een rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen dat in de toekomst
daarin wordt volhard. Ook van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is volgens de rechtbank
geen sprake omdat het college, juist vanwege de gemaakte fout, de rente-inkomsten niet met
terugwerkende kracht, maar slechts naar de toekomst toe in mindering heeft gebracht op de
bijstand.
Het beroep van appellante op verjaring kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet slagen. Het college brengt immers slechts de rentebetalingen naar de toekomst toe in mindering op de hoogte van de bijstand.
Voor het standpunt van appellante dat het college vanwege de financiële consequenties had moeten afzien van het in mindering brengen op de bijstand van de rente-inkomsten, biedt het wettelijk systeem volgens de rechtbank geen ruimte. Uitsluitend bij een terugvordering van bijstand kunnen dringende redenen aanleiding vormen voor nadere afstemming op persoonlijke omstandigheden. Daarvan is echter slechts sprake bij onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Daargelaten nog dat geen sprake is van een terugvordering, is in de situatie van appellante naar het oordeel van de rechtbank, zonder afbreuk te doen aan haar financiële situatie, geen sprake van dergelijke onaanvaardbare financiële gevolgen.