ECLI:NL:CRVB:2021:2025

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 augustus 2021
Publicatiedatum
13 augustus 2021
Zaaknummer
19/4917 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep inzake ontheffing sollicitatieverplichting

Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en verzocht op 31 oktober 2018 om ontheffing van de sollicitatieverplichting. Het college verleende deze ontheffing bij besluit van 6 december 2018, aangevuld op 27 februari 2019, tot de pensioengerechtigde leeftijd van appellant.

Het college verklaarde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 december 2018 niet-ontvankelijk omdat er geen procesbelang meer bestond. De rechtbank bevestigde dit en verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens niet-ontvankelijk, omdat appellant de gestelde schade niet concreet had gemaakt en het college niet verplicht was ambtshalve eerder ontheffing te verlenen.

In hoger beroep stelde appellant dat hij wel procesbelang had en dat het college onrechtmatig had gehandeld door niet eerder ontheffing te verlenen, en eiste schadevergoeding. De Raad oordeelde dat appellant het maximaal haalbare resultaat al had bereikt met het besluit van 6 december 2018 en dat de stelling over eerdere ontheffing buiten de reikwijdte van het bestreden besluit viel. Omdat het bestreden besluit niet het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit was, kon appellant met deze procedure geen schadevergoeding verkrijgen.

Daarom bevestigde de Raad de niet-ontvankelijkheid van het beroep en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant het maximaal haalbare resultaat heeft bereikt en geen procesbelang heeft.

Uitspraak

19.4917 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 oktober 2019, 19/1811 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)
Datum uitspraak: 3 augustus 2021
Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: Y.S.S. Fatni
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B. Wernik. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Mohan.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant ontving bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft op 31 oktober 2018 verzocht om ontheffing van de sollicitatieverplichting.
2.
Bij besluit van 6 december 2018, aangevuld bij besluit van 27 februari 2019, heeft het college appellant tot 14 september 2019, de datum waarop appellant de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, ontheffing verleend van de sollicitatieverplichtingop grond van dringende redenen.
3. Bij besluit van 2 april 2019 (bestreden besluit), heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 december 2018 niet-ontvankelijk verklaard, omdat bij de beoordeling daarvan geen procesbelang meer bestaat. Het college heeft het verzoek van appellant om ontheffing van de sollicitatieverplichting immers gehonoreerd.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe – samengevat – overwogen dat de stelling van appellant dat het college hem eerder had dienen te ontheffen van de sollicitatieverplichting en dat hij hierdoor schade heeft geleden niet leidt tot een procesbelang. Het college was niet gehouden (eerder) ambtshalve te onderzoeken of aanleiding bestond appellant te ontheffen van de sollicitatieverplichting en appellant heeft de geleden (immateriële) schade niet geconcretiseerd.
5. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij wel een voldoende procesbelang heeft. Het college heeft onrechtmatig gehandeld, want het college had hem al op een eerder moment (ambtshalve) moeten ontheffen van de sollicitatieverplichting. Appellant wil daarom een schadevergoeding.
6. De Raad stelt vast dat appellant met het besluit van 6 december 2018 heeft gekregen wat hij heeft verzocht op 31 oktober 2018, namelijk ontheffing van de sollicitatieverplichting. Appellant heeft het maximaal haalbare resultaat al bereikt. De Raad stelt verder vast dat appellant de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet heeft betwist. De stelling van appellant dat hij al op een eerder moment had moeten worden ontheven van de sollicitatieverplichting valt buiten de reikwijdte van dit besluit. Omdat het in deze procedure bestreden besluit niet het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit is, kan appellant met deze procedure hoe dan ook niet bereiken dat de door hem gestelde schade wordt vergoed.
De rechtbank heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) Y.S.S. Fatni (getekend) A.M. Overbeeke