ECLI:NL:CRVB:2021:2034
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als groepsleidster, meldde zich in 2013 ziek na een verkeersongeval met fysieke en psychische klachten. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering in 2015 weigerde het UWV deze toe te kennen omdat de arbeidsongeschiktheid volgens medisch en arbeidskundig onderzoek minder dan 35% bedroeg.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten, waaronder temporomandibulaire dysfunctie en PTSS, onvoldoende waren meegenomen en verzocht om een onafhankelijke deskundige.
De Raad volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat het medisch oordeel niet onjuist was en dat de FML adequaat rekening hield met de beperkingen. Nieuwe medische informatie bracht geen aanleiding tot herziening. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.