ECLI:NL:CRVB:2021:2071
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor nieuwe matras wegens onvoldoende noodzaak
Appellant, die sinds 1997 bijstand ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor de aanschaf van een nieuwe matras en kledingkast vanwege extra kosten door zijn medische situatie. Het college wees de aanvraag af omdat het ging om gebruiksgoederen die uit eigen middelen betaald moeten worden en appellant onvoldoende bijzondere omstandigheden had aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. Hij voerde aan dat zijn ziekte van Crohn en psychische klachten maken dat zijn matras sneller slijt en dat preventieve maatregelen niet altijd mogelijk zijn. Hij verwees naar een medisch advies van de GGD-arts.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat er ten tijde van de aanvraag een noodzaak bestond voor vervanging van de matras. Het GGD-advies gaf wel recht op bijzondere bijstand voor extra was- en slijtagekosten, maar niet voor een nieuwe matras. Ook was onvoldoende aangetoond dat beschermhoezen onvoldoende bescherming bieden.
Daarom bevestigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor een nieuwe matras is terecht afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de noodzaak.