ECLI:NL:CRVB:2021:2106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing studiefinancieringsaanvraag Belgische appellant wegens ontbreken migrerend werknemerschap
Appellant, met de Belgische nationaliteit, vroeg studiefinanciering aan voor een bacheloropleiding in Nederland. De minister wees de aanvraag af omdat appellant geen arbeidsovereenkomst had in Nederland en daarom niet als migrerend werknemer kon worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat ziekte van appellant geen reden vormt om af te wijken van de beleidsregels omtrent migrerend werknemerschap. De door appellant aangevoerde onbezoldigde activiteiten tijdens zomerkampen in Nederland bleken onvoldoende om een reële band met Nederland aan te tonen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad onderschreef de motieven van de rechtbank en oordeelde dat de minister terecht de aanvraag heeft afgewezen. De Raad bevestigde dat de minimale verblijfsduur van vijf jaar en de beleidsregel niet konden worden doorbroken op grond van de omstandigheden van appellant.
De Raad wees ook de stelling af dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan of de hardheidsclausule had moeten toepassen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de studiefinancieringsaanvraag van appellant wegens het ontbreken van een arbeidsovereenkomst en onvoldoende band met Nederland.