ECLI:NL:CRVB:2021:2113
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening Wajong-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker heeft een Wajong-uitkering aangevraagd die in 2010 werd geweigerd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Na een nieuw besluit in 2019 dat het eerdere besluit handhaafde, werd het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker stelde dat het wachten op het hoger beroep leidt tot bestaansonzekerheid en gezondheidsschade, en vroeg een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen financieel spoedeisend belang had, aangezien hij financieel door zijn ouders wordt ondersteund. Ook was niet gebleken van een ander zwaarwegend belang dat onmiddellijke voorziening rechtvaardigt. Een voorlopige voorziening zou slechts een voorlopig karakter hebben en geen zekerheid bieden over het recht op uitkering.
Daarom werd het verzoek afgewezen. De uitspraak bevestigt dat een langdurige procedure op zich geen reden is voor een voorlopige voorziening zonder concreet spoedeisend belang. De hoofdzaak zal de definitieve uitspraak geven over het recht op Wajong-uitkering.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een actueel spoedeisend belang.