ECLI:NL:CRVB:2021:2129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 51,30% in WIA-procedure
Appellante, die sinds 2008 wegens lichamelijke klachten arbeidsongeschikt is, kreeg een WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 49%, later verhoogd tot 80-100%. Na een nieuwe melding in 2017 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid op 51,48% vast, wat in een eerdere uitspraak werd bevestigd.
In 2018 meldde appellante een verslechtering van haar gezondheid, waarna een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige het percentage op 51,30% vaststelden. Het UWV verklaarde het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat de verzekeringsarts alle klachten had meegewogen en dat de medische stukken geen aanleiding gaven tot een ander oordeel.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende beperkingen waren vastgesteld, met name vanwege psychische klachten en een verstoord dag- en nachtritme. De Raad volgde het UWV en de rechtbank in hun oordeel dat deze klachten niet medisch onderbouwd waren en dat het onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd was uitgevoerd.
De Raad concludeert dat het UWV de functionele mogelijkheden correct heeft vastgesteld en bevestigt de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht is vastgesteld op 51,30%.