Uitspraak
2 augustus 2019, 19/486 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, die sinds 2008 arbeidsongeschikt was verklaard en een WGA-uitkering ontving, werd in 2018 opnieuw beoordeeld op haar arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts stelde vast dat zij belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis hiervan kon de arbeidsdeskundige functies selecteren, waarna het UWV besloot haar WIA-uitkering per 3 september 2018 te beëindigen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, stellende dat haar beperkingen, waaronder een navelbreuk en slaapproblemen, onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank oordeelde echter dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Ook de door appellante overgelegde medische informatie gaf geen aanleiding tot twijfel over de vastgestelde beperkingen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad concludeerde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat appellante geschikt werd geacht voor de geselecteerde functies. Er was geen reden om aan te nemen dat zij op de datum van het besluit zwaardere beperkingen had dan vastgesteld.
De Raad bevestigde daarmee de beëindiging van de WIA-uitkering en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.