ECLI:NL:CRVB:2021:216

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 januari 2021
Publicatiedatum
2 februari 2021
Zaaknummer
19/3955 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 lid 1 Wet WIAArt. 2 vijfde lid Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd

Appellante, die sinds 2008 arbeidsongeschikt was verklaard en een WGA-uitkering ontving, werd in 2018 opnieuw beoordeeld op haar arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts stelde vast dat zij belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis hiervan kon de arbeidsdeskundige functies selecteren, waarna het UWV besloot haar WIA-uitkering per 3 september 2018 te beëindigen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, stellende dat haar beperkingen, waaronder een navelbreuk en slaapproblemen, onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank oordeelde echter dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Ook de door appellante overgelegde medische informatie gaf geen aanleiding tot twijfel over de vastgestelde beperkingen.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad concludeerde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat appellante geschikt werd geacht voor de geselecteerde functies. Er was geen reden om aan te nemen dat zij op de datum van het besluit zwaardere beperkingen had dan vastgesteld.

De Raad bevestigde daarmee de beëindiging van de WIA-uitkering en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

19/3955 WIA
Datum uitspraak: 29 januari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
2 augustus 2019, 19/486 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Kartal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 18 december 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kartal en B. Epozdemir als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster voor 13 uur per week. Op 17 januari 2008 heeft zij zich ziek gemeld met rugklachten. Later heeft zij ook andere klachten gekregen. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 25 mei 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is in de daaropvolgende jaren op verzoek van haar (ex-)werkgever meerdere malen opnieuw beoordeeld door het Uwv. Appellante is daarbij telkens volledig arbeidsongeschikt geacht, omdat de arbeidsdeskundige op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) geen functies kon selecteren.
1.2.
De (ex-)werkgever van appellante heeft op 6 april 2018 opnieuw verzocht om een herbeoordeling. In dit kader heeft appellante op 11 juni 2018 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zij heeft neergelegd in een FML van 18 juni 2018. Ten opzichte van de eerdere FML’en van 13 mei 2015 en 23 juni 2016 heeft de verzekeringsarts extra beperkingen aangenomen op de beoordelingspunten 1.9.5 (voorspelbare werksituaties), 5.3 (staan) en 5.8 (hoofd in een bepaalde stand houden). De beperking op het beoordelingspunt 4.9 (reiken) is komen te vervallen. De arbeidsdeskundige kon nu wel functies selecteren en heeft op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 2 juli 2018 de WIA-uitkering van appellante met ingang van 3 september 2018 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 12 december 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van
3 december 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 29 juni 2018 van een arbeidsdeskundige ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig geacht. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld. De door appellante in beroep overgelegde informatie van de huisarts en de fysiotherapeut heeft de rechtbank onvoldoende reden tot twijfel gegeven aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Bovendien ziet deze informatie niet op de datum in geding. De rechtbank heeft het niet aannemelijk geacht dat appellante op de datum in geding ook al buikklachten had als gevolg van een navelbreuk. Tot slot was de rechtbank van oordeel dat de door appellante tegen de geselecteerde functies aangevoerde gronden niet kunnen slagen, nu er uitgegaan wordt van de belastbaarheid van appellante zoals deze is vastgelegd in de FML van 18 juni 2018. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke arbeidskundige grondslag.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij volledig arbeidsongeschikt is en dat op de datum van de beslissing, 2 juli 2018, geen sprake was van afgenomen arbeidsongeschiktheid. Appellante acht het onderzoek door het Uwv niet zorgvuldig, het Uwv heeft geen voldoende onderzoek gedaan en ook relevante informatie niet betrokken bij de beoordeling. Appellante stelt dat zij op de datum van het bestreden besluit al bekend was met de diagnose van de navelbreuk en dat dit voor haar een zware lichamelijke beperking met zich meebrengt. Appellante stelt zich op het standpunt dat het Uwv ten onrechte niet is uitgegaan van deze beperkingen, zij heeft slapeloze nachten en is door de navelbreuk beperkt in haar dagelijkse levensbehoefte. De beperkingen die vermeld zijn in de FML zijn te summier. Volgens appellante heeft zij meer beperkingen als gevolg van hernia aan haar buik, rug en nek. Tot slot stelt appellante dat zij niet in staat is om de door het Uwv geduide functies te vervullen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv stelt dat hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd in essentie een herhaling is van wat eerder in bezwaar en beroep naar voren was gebracht. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is daar telkens op gereageerd. Nu appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, ziet het Uwv niet in waarom de beoordeling voor onjuist moet worden gehouden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 3 september 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-vervolguitkering van appellante heeft beëindigd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest wordt onderschreven. Evenals de rechtbank en met overneming van de door haar daartoe gegeven motivering, wordt geoordeeld dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 december 2018 naar voren komt dat voldoende en zorgvuldig onderzoek is gedaan naar de beperkingen van appellante. Daarbij is naast de resultaten van het eigen onderzoek ook rekening gehouden met de beschikbare informatie van de behandelaars van appellante.
4.4.
Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv kan worden gevolgd in zijn standpunt dat appellante op de datum in geding benutbare mogelijkheden had, wordt eveneens onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 3 december 2018 inzichtelijk gemotiveerd dat appellante op de datum in geding niet voldeed aan de criteria om geen benutbare mogelijkheden aan te kunnen nemen als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, nu appellante niet was opgenomen in een ziekenhuis of AWBZ-instelling, niet bedlegerig was, niet ADL-afhankelijk was en geen sprake was van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op grond van een ernstige psychische stoornis. Er is daarom terecht een FML opgesteld.
4.5.
Het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.6.
Wat appellante in hoger beroep heeft gesteld over de door haar ondervonden buikklachten biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank. Het is niet aannemelijk dat appellante op de datum in geding ernstige buikklachten had als gevolg van een navelbreuk. Daartoe wordt overwogen dat appellante tijdens het spreekuur bij de primaire verzekeringsarts heeft aangegeven geen buikklachten meer te hebben, nadat zij in 2017 was geopereerd aan een navelbreuk. De informatie van de huisarts van 3 juli 2019 (over de periode van 7 januari 2019 – 3 juli 2019) en de echo van het OLVG ziekenhuis van 5 april 2019 zien niet op de datum in geding. Appellante heeft – ook in hoger beroep – geen medische stukken ingebracht op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen.
4.7.
De stelling van appellante dat een urenbeperking noodzakelijk is omdat zij last heeft van slaapproblemen, wordt niet gevolgd. Van een noodzaak om een urenbeperking aan te nemen is niet gebleken, nu daarvoor in de gedingstukken geen basis te vinden is. De melding bij haar huisarts op 17 januari 2019 van slaapproblemen en de informatie van I-Psy van 18 september 2018, waaruit naar voren komt dat bij appellante slaapproblemen zijn ontstaan in reactie op de primaire beslissing van het Uwv, zien niet op datum in geding. Ook het dagverhaal van appellante geeft geen aanleiding voor een urenbeperking in passend werk.
4.8.
Ook overigens heeft appellante in hoger beroep onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar beperkingen zijn onderschat. Met de medisch objectiveerbare klachten is rekening gehouden in de FML.
4.9.
Het oordeel van de rechtbank dat appellante, uitgaande van de voor haar vastgestelde FML, in medisch opzicht geschikt wordt geacht voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, wordt eveneens onderschreven. Daarvoor wordt verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 29 juni 2018 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 mei 2019. In dat laatste rapport zijn de signaleringen betreffende de belastende factoren van de functies voldoende inzichtelijk en overtuigend toegelicht.
4.10.
Uit 4.2 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2021.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) V.M. Candelaria