ECLI:NL:CRVB:2021:2160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging WGA-vervolguitkering wegens onvoldoende motivering arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig teamleider glaszetter/timmerman, werd sinds 2015 arbeidsongeschikt verklaard vanwege een oesophaguscarcinoom en ontving een WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65-80%.
Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid en de urenbeperking vast, maar appellant betwistte deze beoordeling en voerde onder meer aan dat zijn beperkingen door intensieve behandelingen en bijkomende gezondheidsproblemen niet juist waren vastgesteld. Tevens werd in 2020 blaaskanker gediagnosticeerd, wat mogelijk al eerder klachten veroorzaakte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad vond dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd in hoeverre de later gestelde diagnose blaaskanker de arbeidsbeperkingen beïnvloedde en dat de vastgestelde urenbeperking onvoldoende was onderbouwd. Daarom werd het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank vernietigd en werd het UWV opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.
Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen omdat de uitkomst van de nieuwe beslissing onzeker is. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met betere motivering.