Appellant was laatstelijk werkzaam als monteur en meldde zich in 2015 ziek na een ongeval. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. In bezwaar werd de arbeidsongeschiktheid verhoogd naar 57,16% op basis van geselecteerde functies, waaronder productiemedewerker. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
In hoger beroep betoogt appellant dat hij volledig arbeidsongeschikt is en niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen. De Raad beoordeelt de arbeidskundige grondslag en concludeert dat de functie productiemedewerker niet geschikt is vanwege de prikkelarme omgeving die appellant nodig heeft en de hectiek van de werkplek vergelijkbaar met een kantoortuin. Hierdoor liggen onvoldoende functies ten grondslag aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
De Raad acht appellant daarom per 18 september 2017 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt. De eerdere uitspraak wordt vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van het besluit in stand zijn gelaten. Het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met het oog op mogelijke IVA-aanspraken. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.