ECLI:NL:CRVB:2021:2180

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 augustus 2021
Publicatiedatum
2 september 2021
Zaaknummer
19/2439 NIOAW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:4 AISZArt. 9, eerste lid, IOAW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nawettelijke uitkering terecht in mindering gebracht op IOAW-uitkering

Appellante, voormalig ambtenaar, ontving een nawettelijke uitkering in verband met haar eervol ontslag. Het college van burgemeester en wethouders van Oldambt bracht deze uitkering in mindering op de haar toegekende IOAW-uitkering per 9 juli 2017. De rechtbank Noord-Nederland oordeelde dat dit terecht was omdat de nawettelijke uitkering als overig inkomen in de zin van artikel 2:4 AISZ Pro moet worden beschouwd en daarom op grond van artikel 9, eerste lid, IOAW in mindering gebracht moet worden.

Appellante voerde aan dat het college haar zou hebben afgehouden van het ineens afkopen van de nawettelijke uitkering en dat er afspraken waren met de gemeente Oldambt die dit niet zouden rechtvaardigen. Deze gronden werden door de rechtbank gemotiveerd verworpen. De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en benadrukt dat geen bewijs is geleverd van dergelijke afspraken en dat de overtuiging van appellante dat de nawettelijke uitkering niet zou worden verrekend niet tot een ander oordeel leidt.

De Raad verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 augustus 2021 door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De nawettelijke uitkering is terecht in mindering gebracht op de IOAW-uitkering.

Uitspraak

19.2439 NIOAW-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 februari 2019, 18/735 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Oldambt (college)
Datum uitspraak: 24 augustus 2021
Zitting hebben: J.L. Boxum als voorzitter en M. Hillen en E.C.G. Okhuizen als leden
Griffier: G.S.M. van Duinkerken
Partijen zijn, met bericht, niet ter zitting verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat hier om de vraag of het college bij het bestreden besluit terecht de nawettelijke uitkering, die appellante ontving in verband met haar (eervol) ontslag als ambtenaar, in mindering heeft gebracht op de haar per 9 juli 2017 toegekende uitkering in gevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW).
De rechtbank heeft deze vraag in de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord en daartoe, voor zover nog van belang, als volgt geoordeeld:
  • de nawettelijke uitkering komt naar aard en strekking overeen met een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en is daarom aan te merken als overig inkomen als bedoeld in artikel 2:4, aanhef en onder a, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AISZ) in samenhang gelezen met artikel 2:4, aanhef en sub o, van het AISZ. De nawettelijke uitkering moet daarom op grond van artikel 9, eerste lid, van de IOAW op de IOAW-uitkering in mindering worden gebracht;
  • de beroepsgrond dat de gang van zaken in strijd is met de destijds met de gemeente Oldambt gemaakt afspraken, treft geen doel omdat van dergelijke afspraken geen bewijs is geleverd;
  • tot slot kan ook de beroepsgrond dat appellante de nawettelijke uitkering heeft geaccepteerd vanuit de overtuiging dat de uitkering niet zou worden verrekend met de IOAW-uitkering, niet tot het oordeel leiden dat het college de nawettelijke uitkering niet in mindering mocht brengen op de IOAW-uitkering.
De gronden waarop appellante het met deze uitspraak niet eens is, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt daar nog aan toe dat de stelling van appellante dat het college als voormalig werkgever haar heeft afgehouden van het ineens afkopen van de nawettelijke uitkering, wat daar van zij, er niet toe kan leiden dat het college bij de verlening van de IOAW-uitkering in strijd handelt met artikel 9, eerste lid, van de IOAW door de nawettelijke uitkering niet in mindering te brengen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) G.S.M. van Duinkerken (getekend) J.L. Boxum