ECLI:NL:CRVB:2021:2185
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam geweest als productiemedewerker, ontving een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. In 2018 meldde zij een verslechtering van haar gezondheid, waarna het UWV een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opstelde die een belastbaarheid vaststelde waarmee zij geselecteerde functies kon vervullen. Het UWV beëindigde daarop haar WIA-uitkering per 22 augustus 2018.
Appellante voerde aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, onder meer door een ernstige depressieve stoornis, neurologische problemen na een hersenbloeding en medicatiegebruik. Zij verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige en vergoeding van wettelijke rente.
De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de FML van 30 mei 2018 juist was opgesteld, waarbij alle klachten en medische informatie waren meegewogen. Er was geen reden om de beperkingen verdergaand vast te stellen of een deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.