ECLI:NL:CRVB:2022:1170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, werkzaam als medewerker klantenservice, meldde zich ziek met gehoorklachten en psychische klachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, maar kende later een WGA-loonaanvullingsuitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een verslechtering van zijn gezondheid werd de uitkering opnieuw beoordeeld en uiteindelijk beëindigd per 15 augustus 2019 omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bleek te zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML’en) niet waren onderschat. Appellant stelde in hoger beroep dat de FML van december 2021 onzorgvuldig tot stand was gekomen en dat zijn beperkingen onvoldoende waren vastgesteld, mede vanwege een autismespectrumstoornis. Hij vroeg om een onafhankelijk verzekeringsarts als deskundige.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts beschikte over voldoende informatie, waaronder een uitgebreid diagnostisch onderzoek van het Regionaal Autisme Centrum, en dat de FML adequaat was opgesteld. De aangevoerde aanvullende rapporten en het ondersteuningsplan boden onvoldoende aanleiding om de beoordeling te herzien. De arbeidsdeskundige had voldoende passende functies vastgesteld, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% bleef.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant. Het verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen omdat er geen twijfel bestond over de juistheid van de medische beoordeling.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellant is terecht beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.