ECLI:NL:CRVB:2021:2206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-woonachtig zijn in gemeente
Appellante ontving bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Groningen. Na een melding dat zij uit haar woning was gezet vanwege een aangetroffen hennepkwekerij, stelde het college een onderzoek in naar haar woonsituatie. Uit verklaringen van appellante en onderzoek bleek dat zij sinds december 2016 niet meer in de gemeente Groningen woonde, maar in een andere plaats bij een kennis.
Het college trok daarom bijstand met ingang van 1 december 2016 in en vorderde de kosten van bijstand terug tot een bedrag van €14.614,02. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de verklaringen van appellante doorslaggevend waren en dat er geen reden was om aan de juistheid te twijfelen.
In hoger beroep voerde appellante dezelfde gronden aan, waaronder emotionele omstandigheden bij het afleggen van verklaringen en onwetendheid over juridische gevolgen. De Raad verwierp deze gronden en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Ook wees de Raad het beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien af, aangezien de omstandigheden van appellante geen dergelijke redenen vormden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand blijft in stand.