ECLI:NL:CRVB:2021:2207
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg
Appellante heeft een aanvraag om bijstand voor een alleenstaande ingediend, welke door het college van burgemeester en wethouders van Almere is afgewezen omdat zij een gezamenlijke huishouding voert met X. De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van wederzijdse zorg binnen de gezamenlijke huishouding. Uit de stukken bleek dat appellante zorg verleent aan X, die in een rolstoel zit, waaronder hulp bij administratie, boodschappen, schoonmaak en beheer van zijn bankrekening. Tegelijkertijd biedt X onderdak aan appellante, onderhoudt haar en betaalt diverse kosten zoals ziektekostenverzekering en telefoonkosten zonder vergoeding te vragen.
De motieven en omstandigheden die tot het samenwonen hebben geleid zijn niet relevant voor de beoordeling van wederzijdse zorg. De Raad concludeert dat aan de voorwaarde van wederzijdse zorg is voldaan en dat het college de aanvraag om bijstand terecht heeft afgewezen. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellante is terecht afgewezen wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.