ECLI:NL:CRVB:2021:2223
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellante was werkzaam als verkoopster en meldde zich in 2011 ziek met locomotore klachten. Na toekenning van een WIA-uitkering in 2013 werd deze in 2017 beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. In 2018 vroeg zij opnieuw een WIA-uitkering aan wegens vermeende verslechtering van haar gezondheid. Het UWV kende haar een WIA-uitkering toe vanaf 8 januari 2018.
De ex-werkgever maakte bezwaar omdat niet was vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid was toegenomen uit dezelfde ziekteoorzaak. Verzekeringsartsen concludeerden dat er geen aanwijzingen waren voor toename van eerdere klachten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt over toename van klachten, waaronder borderline, ADHD en dystrofie van de linkerenkel, maar kon dit niet medisch onderbouwen. De Raad volgde de rechtbank en het UWV en oordeelde dat de klachten van nek en arm uit een andere oorzaak voortkwamen dan eerdere klachten. Er was geen medische toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak.