Uitspraak
19 5019 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
€ 1.487,88.
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor woninginrichtingskosten van €1.487,88 die zij vóór de aanvraagdatum had gemaakt en betaald. Het college wees deze aanvraag af op grond van beleid dat alleen bepaalde, limitatief opgesomde kosten met terugwerkende kracht vergoedt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat het beleid buitenwettelijk begunstigend is en dat de limitatieve opsomming van kostensoorten, waaronder woninginrichting niet is opgenomen, in rechte gerespecteerd moet worden. Appellante kon geen bijzondere omstandigheden aantonen die rechtvaardigen dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat bijstand niet wordt verleend voor kosten vóór de aanvraagdatum.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat het college consistent het beleid toepast en geen vergelijkbare gevallen heeft waarin woninginrichtingskosten wel werden vergoed. De Raad wijst erop dat appellante zich eerder had kunnen melden voor bijstand, en dat het risico dat zij dat niet deed voor haar rekening blijft. Het hoger beroep wordt dan ook afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor vooraf gemaakte woninginrichtingskosten wordt afgewezen en het hoger beroep wordt verworpen.