ECLI:NL:CRVB:2021:2244
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verhoging aanvangsleeftijd AOW en afwijzing beroep op zorgvuldigheids-, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel
Appellant, geboren in 1953 en geëmigreerd naar Colombia, betwistte de verhoging van zijn AOW-aanvangsleeftijd van vijftien jaar naar zestien jaar en vier maanden, wat resulteerde in een lager ouderdomspensioen van 66% van het maximale pensioen. Hij stelde dat deze verhoging onrechtvaardig was en in strijd met het zorgvuldigheids-, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel, mede vanwege zijn emigratie en het daardoor ontstane pensioengat.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin de verhoging van de aanvangsleeftijd als proportioneel werd beschouwd en niet in strijd met het EVRM. Het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel faalde omdat er geen toezeggingen van de overheid waren die appellant redelijkerwijs mocht verwachten.
Ook het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel werd verworpen, ondanks kritiek van de Nationale Ombudsman op de informatieverstrekking door de Sociale Verzekeringsbank. De Raad benadrukte dat het op de betrokkene zelf ligt om zich te informeren over wetswijzigingen. Het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden omdat het onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen een objectieve rechtvaardiging kent. Tenslotte wees de Raad het betoog af dat besluiten door algoritmes zonder menselijke tussenkomst onvoldoende onderbouwd zouden zijn.
Uitkomst: De verhoging van de aanvangsleeftijd tot zestien jaar en vier maanden en de vaststelling van het ouderdomspensioen op 66% van het maximale pensioen worden bevestigd.