ECLI:NL:CRVB:2021:2246
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenbehandelingstelling aanvraag bijstand wegens niet tijdig verstrekken bankafschriften
Appellant heeft op 15 februari 2019 zich gemeld voor een aanvraag om bijstand en deze op 2 april 2019 ingediend. Het dagelijks bestuur verzocht appellant om bankafschriften over de periode van drie maanden voorafgaand aan de gewenste ingangsdatum te verstrekken. Hoewel appellant een selectie van bankafschriften overhandigde, ontbraken daarin essentiële gegevens zoals saldo en herkomst van bijschrijvingen.
Appellant weigerde de gevraagde bankafschriften in de gewenste vorm te verstrekken, ondanks de mogelijkheid om deze ter plekke te downloaden. Het dagelijks bestuur stelde de aanvraag daarop buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat de gevraagde bankafschriften noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en dat appellant redelijkerwijs over deze gegevens kon beschikken. De Raad oordeelt dat het dagelijks bestuur terecht de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld omdat appellant niet aan zijn verplichting voldeed. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand is terecht buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig verstrekken van de gevraagde bankafschriften.