ECLI:NL:CRVB:2021:2248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig zonweringsmonteur, meldde zich ziek in 2009 en ontving diverse WIA-uitkeringen met wisselende mate van arbeidsongeschiktheid. In 2018 stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn klachten onverminderd ernstig waren en dat de beperkingen onjuist waren vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig en de beperkingen passend. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en overhandigde medische stukken, waaronder een recente toekenning van een WIA-uitkering per 2021.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De medische gegevens toonden afwijkingen, maar geen acute of uitzonderlijke situatie die volledig pijngeleid handelen rechtvaardigen. De beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van juli 2018 werden als juist beoordeeld. De geselecteerde functies waren passend en de mate van arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld onder de 35%.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellant wordt beëindigd per 16 oktober 2018 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.