ECLI:NL:CRVB:2021:2249
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als apotheekmedewerker en meldde zich ziek met diverse klachten. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de vastgestelde beperkingen juist waren. Appellant voerde in hoger beroep aan volledig arbeidsongeschikt te zijn, onderbouwde dit echter niet met medische stukken.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en bevestigt dat het medisch onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd was. De verzekeringsarts baseerde zijn oordeel op eigen onderzoek, informatie van behandelend artsen en een belastbaarheidsonderzoek. Er is geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid en er zijn benutbare mogelijkheden.
Het Werkplan dat appellant overlegt, bevat geen medische beoordeling en de vrijstelling van sollicitatieplicht betekent niet dat er geen re-integratie plaatsvindt. Ook het UWV heeft voldoende gemotiveerd dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd medisch geschikt zijn. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.