ECLI:NL:CRVB:2021:2253
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering en afwijzing schadevergoeding bevestigd door Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als verzorgende IG en heeft zich in 2013 ziek gemeld met hoofdpijn- en vermoeidheidsklachten. Na diverse medische en arbeidskundige onderzoeken kende het Uwv haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100%. In 2016 vond een herbeoordeling plaats waarbij werd vastgesteld dat zij belastbaar was met beperkingen, waarna het Uwv besloot haar WIA-uitkering per 16 mei 2017 te beëindigen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Appellante stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding wegens onrechtmatige beëindiging van haar uitkering en ontslag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het schadeverzoek af, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en geen aanleiding bestond om aan de juistheid van de conclusies te twijfelen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het dossier onvolledig was, dat zij geïntimideerd was door haar ex-werkgever, en dat de medische rapporten onjuist waren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen aanwijzingen waren voor onzorgvuldig onderzoek of onjuistheden in de rapporten. Ook werden de overige gronden buiten beschouwing gelaten omdat zij niet tot het geschil behoorden.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding om een deskundige in te schakelen en het verzoek om proceskosten werd afgewezen. De uitspraak werd op 2 september 2021 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.