ECLI:NL:CRVB:2021:2256
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid op grond van Wet WIA
Werkneemster is na een val van een trap in december 2015 arbeidsongeschikt geraakt met cognitieve en psychische klachten als gevolg van een hersenletsel. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe per 30 november 2017 met een arbeidsongeschiktheid van 100%.
Appellante stelde dat deze arbeidsongeschiktheid duurzaam was en dat werkneemster recht had op een IVA-uitkering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat de cognitieve beperkingen nog konden verbeteren door behandeling en training, en dat de situatie op de datum in geding niet medisch stabiel was.
De Raad volgde dit standpunt en oordeelde dat de medische situatie van werkneemster niet duurzaam was in de zin van de Wet WIA. De verwijzing naar richtlijnen voor niet-aangeboren hersenletsel door appellante was onvoldoende om het oordeel van het UWV te weerleggen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de volledige arbeidsongeschiktheid van werkneemster op 30 november 2017 niet duurzaam was.