ECLI:NL:CRVB:2021:2258
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellante was werkzaam als callcentermedewerkster en meldde zich in 2009 ziek met gezondheidsklachten. Na een periode werd zij in 2012 gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard en kreeg een WGA-uitkering. In 2017 meldde zij verslechtering van haar gezondheid, waarna het UWV een medisch onderzoek instelde en de arbeidsongeschiktheid op 0% stelde, wat leidde tot beëindiging van haar uitkering per januari 2018.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat haar chronische rugklachten, medicatiegebruik en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op en een arbeidsdeskundige heroverwoog de geschiktheid van functies, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd bleef.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren meegenomen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, benadrukkend dat de medische beoordeling en de arbeidskundige analyse de beperkingen van appellante voldoende weerspiegelen en dat er geen reden is voor een onafhankelijke deskundige of een andere uitkomst.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.