ECLI:NL:CRVB:2021:2259
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 13 januari 2018
Appellante, voormalig postsorteerder, vroeg een WIA-uitkering aan per 13 januari 2018. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg en weigerde de uitkering. Appellante maakte bezwaar en beroep, maar het UWV handhaafde het besluit na aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was, waarbij rekening was gehouden met haar beperkingen en medicijngebruik. De rechtbank vond dat de door het UWV geduide functies geschikt waren en haar belastbaarheid niet te boven gingen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar eerdere gronden en voerde zij een medisch arbeidsmogelijkhedenonderzoek aan, gericht op schuldsanering, dat geen benutbare mogelijkheden voor betaald werk zag. De Raad concludeerde dat dit onderzoek onvoldoende onderbouwd was, niet duidelijk relateerde aan de gegevens van de behandelaars en niet was uitgevoerd door een gecertificeerd verzekeringsarts.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV dat appellante diverse beperkingen heeft, maar dat deze voldoende waren gewaardeerd in de FML. Het hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering per 13 januari 2018 wordt bevestigd.