ECLI:NL:CRVB:2021:2272
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen afwijzing WAO-uitkering
Appellant heeft een herhaalde aanvraag om een WAO-uitkering ingediend die door het UWV op 19 februari 2019 is afgewezen. Vervolgens diende appellant een bezwaarschrift in, maar gaf daarbij niet aan waarom hij het niet eens was met het besluit. Het UWV gaf appellant de mogelijkheid om binnen een gestelde termijn de gronden van bezwaar aan te vullen, maar appellant reageerde niet.
Daarop verklaarde het UWV het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat niet was voldaan aan de vereisten van artikel 6:5 Awb Pro. In hoger beroep stelde appellant dat het besluit onjuist was en verwees naar zijn persoonlijke omstandigheden, maar gaf geen redenen voor het niet tijdig indienen van de gronden van bezwaar.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het bezwaar tegen de afwijzing van de WAO-uitkering niet-ontvankelijk is en verklaart het hoger beroep ongegrond.