ECLI:NL:CRVB:2021:2273
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling mate arbeidsongeschiktheid op 50,95% in WIA-uitkering
Appellant, laatstelijk werkzaam als docent, meldde zich ziek na een ingrijpende operatie en ontwikkelde psychische en cognitieve klachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 49,39%, later bij bezwaar vastgesteld op 50,95%. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde aan dat zijn belastbaarheid onjuist was ingeschat, onder meer vanwege postoperatieve cognitieve disfunctie (POCD).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden verricht en dat de beperkingen juist waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Ook de arbeidsdeskundige had de functies passend geselecteerd binnen de belastbaarheid van appellant. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en overhandigde een eindrapportage van zijn re-integratieadviseur, maar deze bevatte geen medische informatie van een arts en betrof een periode na de datum van beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld op 50,95%. De door appellant overgelegde rapporten leidden niet tot twijfel over de medische beperkingen of de arbeidskundige beoordeling. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is vastgesteld op 50,95%.